"Ok dan. Als jij het zegt."
Roran bracht steeds meer tijd door met Adele, en leerde haar bijvoorbeeld schaken, met een valk jagen, en de basis van het boogschieten. Op haar beurt probeerde Adele Roran wat magie bij te brengen, maar dat was te hoog gegrepen voor hem.
Op een bepaalde dag werd de deur van de recreatiezaal woest opengeslagen. Roran en Adele die er rustig aan het schaken waren sprongen opgeschrikt uit hun stoel.
Een Ordelid met een zwaard in de hand stormde naar voren.
"Dit is voor Bertram! Dood aan de Paladijn!" Schreeuwde hij, terwijl hij zijn zwaard in een dodelijke houw op Adele liet neerdalen.
Roran had in alle haast zijn zwaard getrokken, en had zich voor Adele opgesteld, die te gechokeerd was om te bewegen. Hij pareerde de slag enigszins onhandig door zijn wonde.
"Vervloekte rotjonker! Uit de weg of sterf!" Riep de man.
"Het zij zo." Antwoordde Roran kalm.
De man gromde en liet een regen van slagen los op Roran, die ze allemaal een voor een pareerde, ontweek en blokkeerde. De man had net zo goed op een muur kunnen staan meppen. Op een gegeven moment begon Roran de tegenaanval, en toen mertke Adele pas echt wat zwaardvechten is. Sierlijk deed hij een uithaal naar de man's hoofd, wat een schijnbeweging bleek te zijn, en de man nog maar net op tijd zijn heup kon beschermen. De onverbiddelijke regen van snelle en krachtige slagen, steeds uit een onverwachte hoek deed de man achteruit wankelen, totdat zijn zwaard finaal uit zijn hand werd geslagen.
De man, uitgeput en afgemat, zakte zwaar hijgend op zijn knieën toen Esther binnenkwam.
Svengall's wolvenschip was kleiner dan Hörar's schip. Het bezat genoeg plek voor 30 roeiers, 15 per kant, en daarnaast nog plek voor een tiental mannen. Het voordeel was dat zijn schip moeilijker op te merken was, en door het speciale dubbele-zeil systeem van het wolfschip was het onder zeil een stuk sneller dan het logge schip van Hörrar. Het kon zelfs bijna 45° tegen de wind in varen onder zeil, en door het ingenieuze zeilsysteem dat met katrollen, werkte, zodat het ene zeil het andere hielp heffen bij het overstag gaan, was het vele malen sneller dan elk ander Noors scheepstype. Maar het bezat minder riemen, en dat was het voordeel van Hörar. Zijn 60 roeiers konden het schip als een speer tegen de wind in laten roeien, en daardoor was het extreem beweeglijk wanneer het geroeid werd. In tegenstelling tot Hörrar's bemanning van vooral nieuwelingen, bestond Svengall's bemanning uit jonge, enthousiaste krijgers, elk zeer ervaren en bedreven in de krijgskunst.
Wanneer ze in Grimlos terug aankwamen namen ze de bedremmelde Tholgrimm weer aan boord.
"Bij Gorlog's slagtanden! Ze zijn er zonder ons vandoor gegaan!" Zei Svengall.
"Tjah, ik hoorde hen praten over de laffe duivelaanbidder, dus ik maakte me maar even snel uit de voeten. Een oude zeewolf als ik heb niets te zoeken bij dat soort mannen." Zei Tholgrimm.
Roran bracht steeds meer tijd door met Adele, en leerde haar bijvoorbeeld schaken, met een valk jagen, en de basis van het boogschieten. Op haar beurt probeerde Adele Roran wat magie bij te brengen, maar dat was te hoog gegrepen voor hem.
Op een bepaalde dag werd de deur van de recreatiezaal woest opengeslagen. Roran en Adele die er rustig aan het schaken waren sprongen opgeschrikt uit hun stoel.
Een Ordelid met een zwaard in de hand stormde naar voren.
"Dit is voor Bertram! Dood aan de Paladijn!" Schreeuwde hij, terwijl hij zijn zwaard in een dodelijke houw op Adele liet neerdalen.
Roran had in alle haast zijn zwaard getrokken, en had zich voor Adele opgesteld, die te gechokeerd was om te bewegen. Hij pareerde de slag enigszins onhandig door zijn wonde.
"Vervloekte rotjonker! Uit de weg of sterf!" Riep de man.
"Het zij zo." Antwoordde Roran kalm.
De man gromde en liet een regen van slagen los op Roran, die ze allemaal een voor een pareerde, ontweek en blokkeerde. De man had net zo goed op een muur kunnen staan meppen. Op een gegeven moment begon Roran de tegenaanval, en toen mertke Adele pas echt wat zwaardvechten is. Sierlijk deed hij een uithaal naar de man's hoofd, wat een schijnbeweging bleek te zijn, en de man nog maar net op tijd zijn heup kon beschermen. De onverbiddelijke regen van snelle en krachtige slagen, steeds uit een onverwachte hoek deed de man achteruit wankelen, totdat zijn zwaard finaal uit zijn hand werd geslagen.
De man, uitgeput en afgemat, zakte zwaar hijgend op zijn knieën toen Esther binnenkwam.
Svengall's wolvenschip was kleiner dan Hörar's schip. Het bezat genoeg plek voor 30 roeiers, 15 per kant, en daarnaast nog plek voor een tiental mannen. Het voordeel was dat zijn schip moeilijker op te merken was, en door het speciale dubbele-zeil systeem van het wolfschip was het onder zeil een stuk sneller dan het logge schip van Hörrar. Het kon zelfs bijna 45° tegen de wind in varen onder zeil, en door het ingenieuze zeilsysteem dat met katrollen, werkte, zodat het ene zeil het andere hielp heffen bij het overstag gaan, was het vele malen sneller dan elk ander Noors scheepstype. Maar het bezat minder riemen, en dat was het voordeel van Hörar. Zijn 60 roeiers konden het schip als een speer tegen de wind in laten roeien, en daardoor was het extreem beweeglijk wanneer het geroeid werd. In tegenstelling tot Hörrar's bemanning van vooral nieuwelingen, bestond Svengall's bemanning uit jonge, enthousiaste krijgers, elk zeer ervaren en bedreven in de krijgskunst.
Wanneer ze in Grimlos terug aankwamen namen ze de bedremmelde Tholgrimm weer aan boord.
"Bij Gorlog's slagtanden! Ze zijn er zonder ons vandoor gegaan!" Zei Svengall.
"Tjah, ik hoorde hen praten over de laffe duivelaanbidder, dus ik maakte me maar even snel uit de voeten. Een oude zeewolf als ik heb niets te zoeken bij dat soort mannen." Zei Tholgrimm.

