Kings Will - Life or death - RP

正在查看此主题的用户

Nadat Richard een zucht van opluchting had gemaakt keek hij rond. Hij voelde zich nooit prettig in het nogal gesloten rijk en al helemaal niet in Batorn. De woudloper die hem onderdak en hem had opgevoed, nadat zijn echte familie bruut was vermoord, had hem meerdere malen mee genomen naar Belim om hem wat te leren over de wantrouwende bevolking. Op het eerste gezicht zou een bewoner van het rijk van Belim vriendelijk, toch beetje afstandelijk lijken, maar in echt wantrouwde ze iedereen die maar van het normale beeld afweek. In dit oude gesloten rijk was de grote jacht naar de oude clans geweest, en ook meteen de vroegere vorm van de Orde van het Licht geweest, maar toen zonder de opvattingen over het geloof.
Richard had zich al toen hij jonger was zich nooit gemakkelijk gevoelt, maar nu hij meer wist dankzij de twee boeken die hij soms las over de oude clans, voelde hij zich nu al bedreigd toen een Belimse persoon hem even nakeek. Sinds de vroege Orde overstapte naar een meer religieuze groepering en naar het westen begon uit te breiden, verloor het grond in Belim en is sinds honderden jaren geen enkele kapel of kerk van het Licht meer gebouwd in Belim. Tuurlijk heeft de Orde wel geprobeerd dat te bereiken en schuwde ze geen oorlogen bij, waarbij ze niet alleen hun eigen troepen en legers gebruikte, maar zelfs steun kregen van de koning van Iros, die aangetrokken werd dat Belim een enorm welvarend land was, maar de geschiendenis leerde met een opmerklijke harde hand dat Belim niet zomaar met een invasie of een paar oorlogen kon worden overwonnen. De enige buitenstaanders die op zich na lange periodes van vijandelijkheid een vaste grond op Belim hadden kunnen veroveren waren de nomades in het oosten. Geruchten gingen eerst dat enkele gevluchte magische clans de nomades zouden hebben geholpen om zo wraak te nemen als om hun magische geslacht te laten overleven. Richard moest denken aan de verhalen van de oude woudloper die gingen over weerwolven en andere verschrikkingen die in het oosten van Belim zouden rondspoken als gevolg van de goddeloze clans die wraak wouden nemen op Belim. Toch had Richard geleerd van de oude woudloper, als wel nadgedacht met zijn eigen gedachtes, dat die verhalen ernstig overdreven waren, gezien er nomades in het oosten waren en regelmatig door die vervloekte gebieden heen en weer gingen.

Zonder bij te beseffen liep Richard in verdachte rond en botste tegen een jongen op met een opmerkelijke uiterlijk en een soort van beer. Die keek dreigend naar Richard en de jongen keek met een kille blik naar Richard.
Richard bood zijn excusses aan en wou vriendelijk vragen waar hij een pub kon vinden, maar werd ruw onderbroken. Er kwam een menigte aangelopen. Een man kwam naar voren een keek met een giftige blik naar Richard.
''Aan de kant vreemdeling. We willen niet dat je die smerige vuile klootzak gaat helpen!'' De jongen zei niks, maar keek zonder enige emotie op zijn gezicht naar de groep mannen. Alleen zijn ogen waren vol vuur. Richard dacht na en draaide zich om. ''Hoewel ik niet wat er aan de hand is, dit is niet de manier om een jonge jongen zoals hem hier met een menigte achter aan te zitten. Wat is er gebeurt? Heeft hij iets uitgehaald?'' De man die naar voren was gestapt keek woest en schreeuwde zijn longen eruit. ''De smerige tieves ventje heeft een vriend van me verwond, dat smerige gebroed moet branden!'' De menigte kwam steeds dichterbijer. Richard keek grimmig en trok een kortzwaard uit een schede die aan zijn heup hing.
''Ik meen het...kom dichterbijer en ik zorg ervoor dat je bij je vriend zult voegen.'' De man stapte uitdagend naar voren met een hooivork en lachte spottend. ''We zijn met veel...'' Een knetterend geluid kwam van Richards kortzwaard en de bliksem vonkte fel. Het leek wel alsof het smeekte om de bloed van de menigte te willen proeven. Richard zwaaide met het kortzwaard en keek koeltjes de man aan. Die wou met zijn hooivork zeten, maar Richard ontweek hem en hakte de stalen punten van de hooivork met gemak eraf. De man schreeuwde en sprong naar achteren, maar struikelende. Toen hij Richard in de ogen aankeek werd de gezicht van de man bleek, als die van een lijk.
''Jij bent....'' Richard knikte en keek dreigend naar de menigte. Sommige hapte naar adem en andere werden ook bleek. Daarna keek Richard naar de jongen, die alleen even verbaasd keek, maar in zijn ogen scheen een licht van nieuwsgierigheid. Richard glimlachte en wenkte. ''Ik zie dat je ook anders bent...Dat is geen schaamte, kom met mij mee en ik zal ervoor zorgen dat je niet meer een smerig gebroed genoemd zal worden...Mijn naam is Richard.''
 
Lezza


Er gingen onheilspellende geruchten rond. Blijkbaar zouden de paladijnen morgen een laatste bestorming op het fort waar de Undaq zich in bevonden, uitvoeren. Helemaal afgesloten en zonder enige hoop op ontzetting, zagen de kansen er miniem uit voor de Undaq. Haqqam eenoog wilde een uitval doen, maar alleen als hij zeker was dat het de moeite waard was. Maar niemand in de stad die wist hoe het met hen gesteld was. Hadden ze achteraf bekeken het fort toch moeten verlaten en hen mee in de stad laten vechten?

Lezza en Qallitha keken vanuit de toren neer op de baai. Qallitha had van Lezza's gescheurde tuniek een kortere gemaakt die vanaf onder haar oksels tot een tiental centimeter boven haar knieën hing. Ze zagen hoe soldaten zich amuseerden en rondliepen met kroezen bier. Ze leken er zeker van te zijn het fort morgen in te nemen. Aan hun kant ging het er zoals gewoonlijk rustig aan toe. Qallitha's gezicht verried haar walging.

"Kijk ze dan. De smeerlappen."
"De Undaq zullen hun een bloedneus slaan."
"Nee, ze moeten hun geen bloedneus slaan. Ze moeten hun ledematen eraf scheuren!"
"We moeten hun helpen."
"Als ze met te weinig zijn, is het de moeite niet. Dan worden ze sowieso afgeslacht, en als we ze proberen te helpen dan verliezen wij goede krijgers voor niets."
"Wat wil je eraan doen?"
"... Haqqam heeft me een opdracht gegeven."
"Ja?"
"Ik moet hun kamp rondsluipen en in het fort zien te geraken. Als ze met voldoende zijn, gooi ik een fakkel in de lucht. Dan weten we dat we morgen een uitval mogen doen."
"Wat? Meen je dat, Qal? Rond hun kamp sluipen?"
"Een aqqar kan dat, of niet?"
"Hoe wil je dat doen?"
"Ik ontwijk hun kamp zo veel mogelijk en zwem de baai over."
"Dat lukt je niet alleen... Laat mij dan meekomen? Met twee zijn we sterker dan alleen."
"Alleen ben je vlugger. Bovendien zal het niet veel helpen als we met z'n tweëen gevangen worden."
"Zucht. Je hebt gelijk. Qallitha..."
"Wat is er kind?"
"Mocht je niet terugkomen, wilde ik je zeggen dat je altijd als een moeder voor mij bent geweest. Je hebt me zo veel geleerd..."
"Ach, spaar je woorden maar. Ik kom wel terug. Goed? Ik beloof het... Maar nu... Nu moet ik mijn opdracht volbrengen. Ik zal aan je denken."


Qallitha gaf haar een moederlijke kus op het voorhoofd en liep de toren uit. Lezza keek haar nog bedroefd na.

 
Abel

Abel genoot van een heerlijke hoorn bier. Gewoonlijk dronk hij liever wijn, maar van bier kon je ook goed genieten. En het had wel iets, om met zijn strijdmakkers in een kring rond het vuur te zitten met genoeg bier en avontuurlijke verhalen of schuine moppen te vertellen. Hij was zelf misschien een ridder, toch vond hij die gewone soldaten nog aangenaam volk. De meesten waren goede mannen met een gezin en kinderen. De meeste ridders dronken samen met de gewone soldaten rond een kampvuur, maar de meer pretentieuze heerschappen dronken liever wijn aan een tafel met het gezelschap van hogere pieten. Zonder enig broederschap. De meeste mannen waren gelovig, in die zin dat ze met hun gezin altijd naar de Tempel van Licht gingen voor de zondagochtendmis. De echt diepgelovigen waren de paladijnen. Die waren vaak zelfs tegenover de hoogste gewone ridders afstandelijk.

Rens Staalpoot was net één van zijn vele schuine moppen aan het tappen, toen Abel het gevoel kreeg dat hij te veel aan het drinken was. Hij legde z'n hoorn neer en verkondigde dat hij zijn kop even in het zeewater ging steken om niet zat te worden. Sommige van zijn maats grinnikten en dronken gewoon verder. De wandeling naar het strand duurde langer dan verwacht. Soms zaten de tenten zo dicht opeengepakt dat hij er helemaal omheen moest wandelen.

Bij het strand voelde zijn wandeling vreemd. Hij was al iets buiten het kamp, vlakbij het fort. Dat prettige lichte gevoel in je hoofd als je een pint of twee op had, zorgde voor een bijna surreëele sfeer. Hij liep in het water tot aan zijn middel en stak zijn hoofd in het water. Hij hield het onder water tot zijn adem op was en haalde het er weer uit. Dat voelde goed. Op slag was zijn geest weer helder. Hij keek achter zich. Het fort dat ze morgen gingen bestormen. Het zag er grimmig uit 's nachts, net zoals het er morgen grimmig uit zou zien na de slachting. Hij dacht er liever niet aan. Hij wilde weer weggaan toen plots iets tegen zijn schenen botste. Het greep zijn benen vast en probeerde hem onderuit te trekken. Een mens. Zijn arm greep naar omlaag. Hij voelde een hoofd en duwde dat zo lang mogelijk onder water. Met zijn andere hand greep hij zijn dolk terwijl hij het hoofd aan de haren omhoog trok. Hij hield de mens meteen in bedwang met een mes tegen de keel.

"Doe maar! Snij mijn keel maar open en smijt mijn hoofd het fort maar in!"

Een vrouw. Abel dwong haar naar het strand te lopen. Hij bekeek de vrouw: ze was klein maar sterk en droeg slechts een koperen ding voor haar... een koperen vijgenblad aan leren riempjes. In zijn hoofd lachte hij om het idee. Toen hij het kamp naderde liet hij een luide kreet om de mannen te waarschuwen. Sommigen kwamen kijken, anderen kwamen helpen en bonden haar armen achter haar rug vast. Ze leidden haar naar de tent van de Maarschalk. Nieuwschierige ogen keken hun na. De tent van de Maarschalk was eerder een paviljoen. De Maarschalk, Ulric Cesse, zat zoals gewoonlijk achter zijn bureau. In de tent waren de andere compartimenten van de ontvangstkamer gescheiden met een doek.

"Ser Abel. Waarvoor komt u?"
"Zoals u ziet deze gevangene, heer maarschalk. Ik ontdekte haar toen ze het fort wilde binnensluipen. Ze droeg geen wapens en ze kan... nergens een boodschap verstopt hebben."
"Goed werk."


Abel kon de vrouw beter observeren. Ze was minstens twintig jaar ouder dan hem en had een paar rimpels rond haar ogen, maar zag er nog knap uit. Door haar donkerbruine haren liepen een paar strepen grijs. Ondanks ze gevangengenomen was, stond ze trots rechtop. Een moedige vrouw. De maarschalk streelde zijn baard en richtte zich tot de Mqathi krijgster.

"U heeft pech dat mijn ridder een wandeling maakte. U kwam niets brengen, dus kwam u iets halen, hmm?"

De vrouw zweeg.

"Als u niet wil praten, laat ik u over aan mijn inquisiteurs. Zij kunnen zelfs iemand zonder tong aan het praten brengen, geloof me."

De vrouw was misschien niet bang voor de dood, het vooruitzicht van een grondige folterpartij kon iedereen wel twee keer laten nadenken.

"Ik werd eropuit gestuurd om hun te vragen of ze nog voldoende voedsel hadden."
"Wie stuurde je?"
"Mijn clanleider, Haqqam Eenoog."
"Niet Tileul?"
"Niet de gouverneur."
"Hmm. Ik geloof je. Tileul zou zoiets nooit gedaan hebben. Ik ken die man. Ser Abel, breng deze vrouw naar het schavot en bedank haar met een vlugge dood."


Abel wist even niet wat zeggen. Ze was door de linies geglipt, had haar leven geriskeerd voor zo'n uiterst riskante missie... en haar dan executeren? Ze had zich verdomme niet eens formeel overgegeven!

"Heer maarschalk, met uw welnemen... sommige van onze mannen hebben hun maîtresses meegebracht. Ik..."
"U wilt haar als bedwarmer gebruiken? Ik wist niet dat u van exotische types hield, maar goed. Doe maar. Als ze ontsnapt, neem ik persoonlijk uw hoofd. Als ze u tijdens uw slaap afmaakt, is dat uw eigen schuld. Begrepen?"
"Dank u, heer maarschalk."


Hij nam haar touw vast en liep de tent uit. Zij volgde haar, maar de blik die ze hem toewierp, zag er allesbehalve vriendelijk uit.
Abel's tent was een lage ronde tent, waar je hoogstens op je knieën kon staan. Op de grond lagen doeken en kussens. Zijn slaapplaats bestond uit een stapel kussens met een deken en een berenvacht. Hier en daar lag een lege fles wijn. Hij had zijn wapenuitrusting ergens op een hoop gegooid, met zijn zwaard ernaast. Terwijl hij de vrouw haar polsen aan de paal vast ketende keek ze hem nijdig aan.

"Je had me moeten doden. Als je denkt..."
"Zwijg even. Dat was een leugen. Ik ga je niet als bedwarmer gebruiken."


De vrouw keek hem verbaasd aan.

"Leugenachtig varken, dat ben je. Net als die paladijnenvriendjes van je."
"Ik zweer het. Ik ga je helemaal niet verkrachten."
"En toch keten je me vast."
"We willen niet dat je gaat lopen he? Of 's nachts mijn keel doorsnijdt. Ik heb je laten leven omdat ik vond dat je moedig was. Soldaten moeten elkaar's moed respecteren. Je verdiende beter dan dat je hoofd op een staak werd gezet."
"Een ridder die voor de verandering echt galant is. Nu schrik ik me rot."
"Ik ook. Nee, laat je sarcasme maar voor wat het is. Ik respecteer je moed en daarom laat ik je leven, goed? Daar komt het allemaal op neer."
"Ik begrijp er niks van."
"Je zult genoeg tijd hebben om erover na te denken."


Abel kleedde zich uit tot op zijn ondergoed en wierp de vrouw een deken toe.

"Voor 's nachts. Hoe heet je?"
"Qallitha. En jij bent Abel."
"Inderdaad. Welterusten, Qallitha."
 
Halt vloekte binnensmonds. De Orde had een goed systeem ontwikkeld om recruten voor de Paladijnen aan te trekken. De naaste familie van een Paladijn in dienst kreeg een kleine bijdrage als gemis van de Paladijn in kwestie, en in geval van sneuvelen of vermist raken van de man of vrouw, werd  de naaste familie onderdak aangeboden en economische hulp.

Cara, de moeder van Adele, onwetend van wat er exact gebeurd was was als een gebroken hoopje mens op dat ogenblik op het offer ingegaan en woonde nu in de burcht van Orpis, midden in de muil van de leeuw.

Hij had de burcht dagenlang onderzocht naar zwakke plekken om hem binnen te sluipen, maar het is moeilijk, zelfs voor iemand als hem om de burcht midden in de stad onopgemerkt te naderen en te beklimmen. Hij zou dus via de poort binnen moeten gaan, het risico van een toevallige blik op de muren terwijl hij ze beklom was te groot.

Dat betekende dat hij zijn vervalsingskoffer weer mocht afstoffen.


Svengall gromde van de inspanning. Zijn tegenstander was struiser en forser dan hij, en probeerde hem met diens schield omver te duwen om hem daarna met het venijnige kortzwaard neer te steken.

Hij deed een snelle pas achteruit waardoor de verraste bruut naar voren strompelde, en hakte met zijn zwaard naar de voeten van de reus. Deze had het tijdig door en zette snel een stap terug, waardoor hij de klap van Svengall's schield niet goed kon opvangen en achteruit strompelde. Hierop wierp Svengall zijn schild weg en greep zijn langbijl, waarmee hij woest op de grote man in begon te hakken, en al snel vlogen de splinters in het rond toen het schild finaal uiteenviel.

De gespierde bruut keek geschrokken naar de gebroken planken op de grond, en keep weer op, recht in de bijl van Svengall.

Het publiek schreeuwde wild.

Svengal gromde. Nog maar enkele van deze "Kampioenen" gevechten en hij had genoeg om zijn eigen langschip te laten bouwen.
 
Ze liepen rond tot Richard een goede plek had gevonden om een kamp op te zetten voor de nacht. De jongen met zijn malak was hem uit nieuwsgierigheid gevolgd, maar Richard vond hem apart. De jongen leek overdreven zijn best te doen om zo sympathiek mogelijk te lijken, maar iets anders zorgde ervoor dat hij het ook niet helemaal wilde...Het was nogal verwarrend.
Nadat ze een kamp hadden opgezet grinnikte Richard. De jongen keek hem vragend aan.

''Dus je hebt iemand in elkaar geramd of die....''
''Dat is mijn malak en ik hem die man, waarover die andere het had, met mijn zand een les geleerd.''
Richard fronste. ''Zand....wacht...'' ''Zand? Ik neem aan dat je bedoelt iets magie, want hoewel zand soms onaardig kan schuren denk ik niet dat je een volwassen kerel ermee het ziekenhuis kan werken....Tenzij je de hele dag zandballen liep te gooien.'' Richard lachte om zijn eigen grap in hoop de jongen ook mee te laten lachen, hij trok een kleine grimasje, wat een begintje was.
''Nee, ik heb mezelf verdedigd met me zandsturing....met magie..Uw ogen zijn toch ook magisch?'' De ogen van de jongen werden verlicht van nieuwsgierigheid en Richard grijnsde.
''In een zekere zin heeft iedereen magie...Maar wat betreft me ogen, ik hoor bij een oude en bijna uitgestorven clan...Trouwens, wat is je naam, als ik dat mag weten?'' Vroeg Richard vriendelijk met een glimlach.
 
'' Ik heet.. Jonas. '' zei de jongen twijfelend. Hij wist dat veel mensen niet waren waar ze op lijken, en deze jongen, hoe vriendelijk dan ook, had vast een addertje verstopt onder het gras waar ze op zaten. '' Mijn magie komt niet van een clan. Of wel. Dat weet ik niet. Wat ik wel weet is dat ik de enigste ben die dit kan. Een gift, zouden sommige zeggen.. '' Hij keek naar de Malak en aaide hem over zijn dikke vacht. De Malak gromde op zijn beurt voldaan.
 
Svengall keek naar de goed gevulde geldbuidel in zijn hand. Genoeg om een fatsoenlijk wolfschip te laten bouwen. Hij wandelde naar de havenmeester.

"Morgen, havenmeester. Weet u soms waar ik enkele oude ervarenn scheepsbouwers kan vinden?" vroeg Svengall.
"2e straat rechts, het grote gebouw aan de linkerkant." Antwoordde deze gehaast.

Toen hij bij het grote stenen gebouw aankwam, waarbij de mensen hem bewonderend aankeken, de naam "Wolf" fluisterend. Hij vond zijn bijnaam wel toepasselijk. De wolf was een vereerd dier in de Godenwereld, and Fenrir, de demonenwolf stond niet om zijn zachtaardigheid bekend.

Hij wandelede binnen, en sprak de eerste beste scheepsbouwer aan.


2 weken later zat hij woest op de kade. Nog steeds geen enkele scheepsbouwer die een wolfschip kon bouwen. Woest wandelde hij door de straten, toen hij een oude man omverliep.

"Kan je niet uit je doppen kijken ouwe landrot?" Riep hij kwaad.
"Je mag mijn oude zak botten voor alles uitschelden voor alles behalve landrot, jonge wolf." Antwoordde de kriele kerel.
"Wie ben je?" Vroeg Svengall, plots bij zinnen gebracht door de manier van spreken van de man. Zijn accent was niet Norvosi, maar van zijn thuisland. Daarnaast was "jonge wolf" een aanspreking van een krijger in opleiding in zijn thuisland.
"Ik ben Tholgrimm. Ik vroeg me al af wanneer je mij zou vinden." Antwoordde de oude Noorderling.




"Ik ben een bode van koning Wyris van Iros! Ik moet de graaf van Opris dit bericht afgeven." De man liet hierbij een gesloten document met het zegel van het koninklijk huis van Iros zien.

De wachter die toch niet kon lezen wuifde de bode door naar de donjon.
"Goed, dat ziet er echt genoeg uit."

De major domo, de huisbewaarder van het kasteel kwam de belangrijke gast al snel tegemoet.

"Ik zal u uw vertrekken wijzen waar u zich kunt opfrissen, heer bode." Zei de major domo.

De bode keek rond in de aangename vertrekken en knikte tevreden, waarop de major domo zich terugtrok.

"Wacht even!" Zei de bode daarna snel, waarop de major domo zich omdraaide. "Hoe werkt het nieuwe systeem van verzekering hier? Dat systeem dat de naasten van Paladijnen opvangt?" De major domo knikte enthousiast.

"Het werkt uitstekend, heer bode. Ik kan u morgen naar het deel van het kasteel brengen waar de weduwen en nabestaanden zich bevinden, na uw bezoek bij de graaf." Vervolgde deze snel.

"Goed. Dat is afgesproken."

De major domo sloot de deur. Halt zuchtte tevreden en liet zich in het comfortabele bed ploffen.
 
"Heer bode, u kunt de graaf ontmoeten." Zei de secretaris van de graaf.

Halt wandelde de rijkelijk versierde zaal binnen, en zag onmiddelijk de enorm dikke man in zijn troon zitten. Hij puilde uit zijn troon. Halt zijn mond verwrong van aftrek. Voor hem was die troon zelfs te breed, zo klein als hij was.

"Gegroet heer bode. Welk nieuws brengt de koning mij?" Vroeg de dikke man.
"Hij stuurt u zijn vriendelijkste groeten, en wenst dat u uw troepen verzameld voor de slagen tegen Rindar." Antwoordde Halt met een onmiskenbaar Irosi accent.

"Ach zo. Het verbaasde mij al toen hij mijn gemobiliseerde troepen niet wou gebruiken." De man greep een druif uit een vergulde schaal naast hem. "Enig ander nieuws van belang?" Vervolgde hij.
"Ja. De Grootpriester van de Orde van het Licht stelt ons gerust dat de hoofdmacht van de Schaduw Orde gebroken is, en hun fort vernield. We zullen al gauw weinig meer van hen te vrezen hebben." Zei Halt.
"Dat is nog eens goed nieuws. Ik ben blij dat we eindelijk van deze onruststokers af zijn. Ze hebben onlangs nog enkelen van mijn dappere Paladijnen hier gedood in de bossen richting het gebergte. Een of andere boogschutter schoot hen als een laffe hond neer vanuit de struiken en vluchtte weg toen we hem staal toonden. Zonde van de goede mannen. U kunt terugtrekken naar uw verblijven, heer bode. Dank voor uw bericht." Zei de graaf, terwijl hij Halt wegwimpelde met een slap handje.

Je moest eens weten, dacht Halt.


Even later stond hij tegenover de vertrekken van de "rouwenden", zoals de nabestaanden van gesneuvelde Paladijnen wel eens genoemd werden. De major domo verontschuldigde zich.

"Mijn taak vereist mijn aanwezigheid elders. Een goede dag verder, heer bode." En vertrok.

Halt ging van deur tot deur tot hij de kamers van Cara vond, de moeder van Adele. Hij haaldde ook eerst zijn boog op. Er reste weinig tijd voor geheimzinnigheid.

Toen de deur op roestige hengsels openzwaaide zach hij tot zijn verrassing een Paladijn en een oude vrouw zitten.

"Wel vervloekt! Wie ben jij!" Riep de Paladijn verrast.

Zijn blik gleed van Halt's gezicht naar diens boog en verdonkerde.

"Bij het Licht! De boogschutter! Ik zal Adele bij deze wreken!" Riep de Paladijn, zijn zwaard uit de schede trekkend.

Halt vloekte en ontweek de woeste aanval van de ervaren Paladijn, waarna hij met zijn zwaar dolkmes in de hand een stevige kaakslag toediende. Een paar tanden uitspuwend strompelde de Paladijn achteruit.

"Dat zet ik je driedubbel betaald, lafbek!" Krijste hij kwaad.

Halt ontweek en pareerde een serie uitvallen met zijn 2 dolken, tot ze weer elkaar inschattend tegenover elkaar stonden. De Paladijn, nu op zijn hoede, was verrast door het gemak waarmee de oude man zijn aanvallen pareerde en blokkeerde.

"Schurftige hond! Je bent vast hier om je werk af te maken! Heb je nog niet genoeg leed aangericht!" Riep de Paladijn.
"Aan jou zal ik weinig woorden..." En halverwege zijn zin gooide Halt met een polsbeweging zijn werpmes in de keel van de Paladijn, die roemloos bloed spuwend achteroverviel.

Een ritselend geluid deed hem opschrikken. Hij ontweek nog maar net een vaas die door de bange vrouw geworpen was.

"Moordenaar! Duivel! Bewakers help me!" Krijste ze doodsbenauwd.
"Als het dan echt zo moet..." Zuchtte Halt, en wierp zijn zwaargewichten.

Snel klom hij met de vrouw over zijn schouder naar het dak, en kon nog net de toegesnelde bewakers de deur zien binnenstormen.

"Bij de hoed van de Grootpriester! Het is Paladijn Michiel!" Zei een van hen verrast.


Svengall keek tevreden toe hoe de werken aan het slanke wolfschip vorderden, en knikte Tholgrimm gedag.

"Ik ben blij dat ik eindelijk iemand vond die me hiermee kon helpen." Zei Svengall.
"Ach, je hoeft me zelfs niet te betalen. Dit is voor mij een pleziertje na al die lompe handelsschepen te bouwen." Antwoordde Tholgrimm.
"Wat? Maar ik moet je echt bedanken voor je hulp! Hoe kan ik hierna nog vertrekken en je zonder een cent achterlaten?" Zei Svengall verrast.
"Simpel. Je neemt me mee." Antwoordde Tholgrimm, alsof het het normaalste ding van de wereld was.
 
Richard glimlachte en dacht even na. Jonas gebruikte het moment om een vraag te stellen.
''Euhm....Hoe zit dat met jouw ogen? Was dat ook magie?'' Richard glimlachte, hij had gemerkt dat Jonas beetje zenuwachtig was. Tjah..Hij had zelf vragen voor de jongen, maar het leek hem eerlijk om de vraag van de jongen eerlijk te beantwoorden. Hij haalde even adem.
''Je hebt het al grotendeels geraden..Ik ben een lid van de Carin clan, een oude magische clan..Zelf kan ik er nog weinig over vertellen over hoe het precies werkt, behalve hoe het ongeveer werkt. Het zorgt ervoor dat ik de bewegingen van mijn tegenstanders kan volgen op zo een snelheid dat het lijkt alsof ik hun bewegingen kan voorspellen. Het nadeel eraan is dat ik soms de klap zie aankomen, maar tegelijkertijd weet dat ik de aanval soms niet kan ontwijken, omdat me lichaam daar niet sterk of snel genoeg voor is. Het is soms verwarrend voor mij.'''Hij zei dat laatste lachend en Jonas moest ook een beetje grinniken. Daarna keek Richard ietsje minder vrolijk en meer bezorgd.
''Maar ik denk niet dat je ouders het fijn zouden vinden als hun jongen zo alleen op reis zou zijn....tenzij je net als mij een wees bent...Dan weet ik hoe je voelt..''
Richard zag een twinkeling van verdriet in de ogen van ''Jonas'' en wist dat hij het bij het goede eind had. Alleen moest de jongen nu durven de waarheid te vertellen.
 
'' Mijn ouders.. zijn soort van dood. Teveel monden te voeden, te weinig eten.. dan stuur je de jongsten weg om voor zichzelf te zorgen. Dus je zou kunnen zeggen dat ik een wees ben.. '' Het was fijn om eens te praten met iemand die niet zijn naam wist, alhoewel de knaap voor hem er best slim uitzag en indien hij zijn echte naam zou zeggen, hij hem waarschijnlijk wel zou kennen. Trouwens.. Jonas, is het niet ietwat, tja, dom om zonder wapen rond te lopen? '' Jonas keek hem recht in de ogen aan. Wapens zijn enkel hulpstukken bij een moord.. elke boer kan een wapen dragen. Maar een zwaard, zij het in de handen van een boer of een ridder, kan nooit een geboren moordenaar verslaan. Ik hoop dat dat je vraag beantwoord. '' Hij liet zich achterover vallen.
 
Richard grijnsde. Die jongen was een raadsel. Soms durfde hij weinig en had moeite om een vraag te stellen of iets simpels als dat, maar dan was hij weer koel en arrogant. Hij deed een beetje denken aan hemzelf, een jongere versie. Nu hij ook wist dat de jongen ook geen huis had om naar toe te gaan, begon een idee in Richards hoofd op te dagen...Het was geen slecht idee op zich.
''Een soort van...Hhmmm....Dus je weet wat over magie? Kan je me vertellen wat je weet erover?''
 
'' Ik ben een meester over het zand, waar ik ook ga. In plaatsen waar je het niet verwacht, kan ik zand doen opdoemen. Door mijn aanwezigheid alleen al word er zand naar me toegetrokken. Maar ik kan het ook laten verdwijnen. In, bijvoorbeeld, iemand zijn lichaam. Mijn magie kan zich meten met de machtigste magiërs in de wereld, en ik ben nog niet eens ouder dan 14 zomers. Ik kan een man dood laten gaan, 20 jaar nadat hij met mij heeft gevochten zonder überhaupt bij hem in de buurt te zijn. '' Hij lachte, met een ondertoon van een klein beetje kwaadaardigheid. '' Ik ben Aramos, jongen van het zand. ''
 
Een kilheid ging over de rug van Richards rug. Aramos....Aramos de vervloekte...Hoewel, als die jongen werkelijk Aramos de vervloekte was, waar was dan zijn witte haar? Of misschien ging die naam van vader tot zoon? Richard had de ongebruikelijke flask al gezien en hoewel hij geruchten in zijn jeugd had gehoord over een Aramos de vervloetke, was hij veel ouder dan die jongen, dus moest het wel een andere Aramos zijn....
''Zeg me eens....Heb jij een voorvader of grootvader gehad die ook de naam, Aramos droeg?'' Vroeg Richard nog steeds beleefd.
 
Abel

De hele voormiddag werd het fort beschoten. Katapulten sloegen kleine bressen in de muren, waardoor ladders makkelijker geplaatst konden worden. Salvo's pijlen regenden neer op de verdedigers. Die ochtend had hij zijn zwaard, Moed, nog een grondige poetsbeurt gegeven. Vandaag zou de laatste bestorming moeten zijn. Abel hoopte dat de verdedigers zich zouden overgeven, zodat er geen onnodig bloed vergoten werd. Het Licht kwam hier namelijk niet om iedereen uit te moorden. Eindelijk was het zo ver, het signaal voor de bestorming. De eerste golf bestond uit de gewone soldaten. Ze deden hun best, maar daar lieten ze het bij. De verdedigers bleken vermetele tegenstanders, maar leden zware verliezen. Toen was het aan hun, de tweede golf, geleid door de ridders.

Abel sloot zich bij een troep ridders die met een ladder de achterkant van het kasteel wilden beklimmen. Ze waren in staat de ladder te plaatsen, maar leden verliezen dankzij de warme verwelkoming van loden hagel. Ze werden vanaf de muren bekogeld, en soldaten die de held uithingen en tegen alle rede in op de ladder klommen, werden als honden afgemaakt. Abel slaakte een kreet toen hij tegen zijn dij en in zijn maag geraakt werd. Als je pantser droeg, en de slingeraar had niet hard genoeg gegooid, viel zoiets nog mee. Hij voelde zijn maag ineenklappen, maar liet zich daardoor niet vallen. Een blauwe plek hield hem niet tegen. Abel zag hoe iemand's knie -die gepantserd was- verbrijzeld werd door een hard schot. Een andere ridder's kaak barstte uiteen en zijn tanden vlogen naar alle richtingen. Hij hoorde een bekend trompetsignaal: de paladijnen werden in actie gezet!

Met de inbreng van de elite, de paladijnen, kwam er schot in de zaak. De verdedigers zagen hun penibele toestand en focusten hun vuur op de paladijnen. Abel kon de ladder beklimmen terwijl maar één iemand hem bekogelde. Hij was de eerste om over de muren te klimmen. De slingeraar was een groentje, maar in de strijd kende Abel geen medelijden. Met één zwaardhouw doorkliefde hij de jonge knaap's schouder tot in zijn buik. Achter hem volgden meer ridders, en Abel zag dat er nu langs andere ladders versterkingen binnen sijpelden. Nu waren de verdedigers ten dode opgeschreven. Het duurde niet lang of ze vielen terug op hun torens.

Abel bestormde een toren in zijn eentje. Onderaan de trap stond een vrouw die slechts een koperen rok en een koperen punthelm droeg, haar kortzwaard was geen partij voor Moed. In de toren trof hij vier vrouwelijke krijgsters en vijf mannelijke krijgers aan. Een paar droegen een tuniek, de rest koperen rokken of lendendoeken en helmen. Eéntje was helemaal in bronzen lamellen bekleed en droeg een lange bronzen falx. Die met de tunieken lagen al gauw op de grond. De koperdragers gaven een betere strijd en eentje wist hem bijna te doden. Hij ving die klap op met zijn handschoen. Het kortzwaard was misschien brons, het sneed net zo goed door leer als ijzer. Abel's antwoord was een onthoofding. Als laatste de bronzen krijger. Hij was even groot als Abel, en zijn falx zag er net zo gevaarlijk uit als Moed, maar het was van brons. De bronzen krijger vocht goed terug en was een listig tegenstander. Het frustreerde Abel dat hij zijn aanvallen minder goed kon voorspellen. De bronzen krijger wilde zijwaarts slaan, maar dat was een schijnmanoeuvre en sloeg langs boven.  Net op tijd kon Abel de aanval blokkeren en dat brak het lemmet van de falx. Abel gaf de moedige bronzen vechter een snelle dood. Hij liep naar buiten en zag dat het fort overmeesterd was. De verdedigers waren tot de laatste man afgemaakt. De banieren van het Licht tooiden nu de torens boven het fort...

-

Met een licht hoofd keerde hij terug naar zijn tent. Het was lastig om overeind te blijven en niet te struikelen over zatlappen die hun roes uitsliepen op de grond. Abel wist dat hij zelf te veel op had, dus was hij gestopt met drinken. Hij deed nooit aan overdaad, ook al vond hij het lichte gevoel zo prettig. Met een grijns strompelde hij zijn tent binnen, waar hij werd opgewacht door een boze Qallitha. Zijn grijns verdween als sneeuw voor de zon toen ze in zijn gezicht sloeg met haar voet.

"Jij en je ridders hebben de hele Undaq clan uitgeroeid! Ik hoop dat je blij bent!"
"Waar verwijt je me van? Dat ik mijn werk doe? Ik ben een soldaat net als jij."
"Ik ben niet zoals jij."
"Als de rollen omgekeerd waren en jullie ons in dat fort belegerden en afmaakten, dan had je waarschijnlijk gelachen om mijn hoofd dat op een staak stond dan dat je er om had getreurd... En jullie zouden door onze bondgenoten als slagers worden uitgekafferd."
"Je... je..."


Abel wist dat hij gelijk had. Hij wist dat zij het wist, ook al wilde zij dat het anders was.

"Niets is eervoller dan moedig sterven in de strijd. Ja, we hebben ze tot de laatste man afgemaakt, maar ze zijn tenminste met eer naar het hiernamaals gegaan. Ga zelf maar kijken naar onze lijken, als ze er nog liggen. Je zult er meer tellen dan dat wij er vandaag van hun hebben afgemaakt."

Abel nam zachtjes haar kin vast en draaide haar hoofd dat ze hem in de ogen keek.

"Eén van deze dagen ga ik misschien ook heen. Om mij zul je niet treuren, niet dat dat hoeft. Maar als er een hiernamaals is, dan ga ik naar dezelfde plaats als waar jouw broeders heen gaan. En eenmaal daar lacht iedereen om wat hier gebeurd is. Dan lachen we om elke menselijke misère."

Een traan rolde over Qallitha's wang.

"Kan ik je vertrouwen?"

Ze knikte.

"Ik zal je van je ketens ontdoen. Je belooft me dat je niet ontsnapt. Als je dat doet, lever ik je uit aan de soldaten. Nee, begin er niet over, je kunt niet ontsnappen. Hmm?"
"Ik... Ik beloof het."
"En probeer me niet te vermoorden want dan lever je jezelf alleen maar aan hen uit."
"Ik snap het."
"Goed."


Abel ontdeed Qallitha van haar ketens en gaf haar een deken en een kussen. Voor hij ging slapen, wenste hij haar een goede nacht. Qallitha mompelde het.
 
'' Het is geen familie. Het is een naam die word gegeven aan alle mensen met mijn '' gave. '' Het betekent '' uit het zand. '' Aramos begon verveeld te raken van het gesprek over hem. '' Genoeg over mij, ik verveel me en wil meer weten over wie je bent. Waar kom je vandaan? ''



'' Zet de planken recht aan op elkaar, maar met een lichte curve. Ja, zo. Er moet genoeg ruimte zijn voor ons om te slapen terwijl de rest roeit. '' Hörrar keek samen met zijn beste vriend Jorne naar de mannen die een schip aan het bouwen waren. In plaats van de ellendeling Svengall, die net genoeg geld bij een had geschraapt om een oude Noorderling te huren, ofwel, er werd gezegd dat hij het gratis deed, en niet eens eigen kennis had van de boten. Ondanks dat het een gewoonte was een wolfschip te bouwen had Hörrar gekozen voor een traditioneel Vikings schip. Genoeg ruimte in het midden voor de rest van de groep om te slapen op de houten vloer terwijl de rest roeide, en zo nodig deze twee groepen om te wisselen zodat de vermoeide mensen konden slapen en de anderen konden roeien. Er had veel denkwerk in gezeten en het kostte ook flink wat. Maar Hörrar had zijn ogen al op een mooie plek gezet. '' Jorne, je trekt mee toch? Ik kan een schildbroeder gebruiken om mijn rug te dekken.. '' Jorne knikte. '' Goed, want ik weet al waar we als eerste heen varen.. morgen word de mast geplaatst en het zeil vastgezet en kunnen we als het goed is varen. Hesse word ons eerste doelwit.. rumoeren zijn dat het aangevallen word door de zakken van het Licht, en nadat zij klaar zijn of dood zijn kunnen wij de overblijfselen pakken en wat slaven meenemen naar ons thuis, in plaats van dit stinkende krot. ''
 
Richard glimlachte en schudde zijn hoofd. ''Tjah, me jeugd is begonnen met bloed..Ik heb me hele familie afgeslacht zien worden voor me eigen ogen...Daarna heb ik een redelijke veilige tijd meegemaakt bij een woudloper, die uitendelijk verdween uit me leven..Daarna heb ik wat rond gezworven en achter de reden gezocht waarom dat mijn familie afgeslacht moest worden..Ik denk dat ik nu op het juiste spoor ben en ik heb zelfs informatie over me clan gevonden. Echter moet ik nu een opdracht vervullen voor me...euhmm...groepering, zodat ik de mogelijke daders kan dwarsbomen en daarna.....'' Aramis schrok licht van Richards grimmige gezicht. Het was een gezich waarin zijn ogen dodelijk glanste, waarin een belofte van een zeer nare dood en wreedheid in was te lezen, terwijl de gave van Carin langzaam opkwam. ''Om daarna die klootzakken een voor een te leren wat echte pijn is...Ze te leren hoe het is om met mijn pijn te moeten leven...En uiteindelijk te moeten sterven..''
Het werd aardig stil en Richard dacht na...Hij glimlachte droevig en schudde zijn hoofd.
''Ik weet niet hoe het met jouw zit, maar ik ga even uitrusten en dan weer op weg....Als je mee wilt mag dat van mij hoor, ik kan je wel wat plekken laten zien die ik ken in Belim, mocht je dat dan willen.''
 
'' Het lijkt me eerder dat ik jou dingen laat zien.. vergeet niet dat, ook al leef ik in de vlaktes, ik kom vaak genoeg in Belim. Word ook vaak genoeg teruggejaagd. '' Richard lachte en zag aan Aramos' gezicht dat hij geen grapje maakte. '' Oke, deal. Ik geloof dat je.. beer.. ook wel eens iets anders dan alleen zand kan gebruiken. ''
 
"Ja ik kom uit Rindar. Dat heb je goed gezien. Ik vermoed dat jij uit Iros komt? Misscien Orpis?" Antwoordde Roran op een terras van het fort.
"Goed geraden." Zei Adele.
"Hoe kom je hier dan, als Paladijn?" Vroeg Roran.
"Op een... Hoogst ongebruikelijke manier." Zei ze met een meewarige glmilach. Stilletjes hoopte ze dat haar moeder veilig was.
"Vertel."


Ergens in de bossen nabij Orpis werd Cara wakker. Versuft keek ze naar een kampvuur, waar ze een heerlijk geurende stamppot kon ruiken, en een man zag zitten in een groengrijze mantel.

"Ironisch dat ik jou net als je dochter zo moest meenemen." Zei Halt, waarop hij onmiddelijk de ketting van Adele liet zien.
"Ik moest je even komen ophalen van haar."

Cara staarde hem met de open mond aan, te verdwaasd om iets te zeggen. Haar dochter leefde ineens weer.


"Hörar."
"Svengall."
"Ik heb een voorstel voor je, Berenhart."
"Spreek dan maar, Grauwtand."
"We zijn beiden afstammelingen van het Oude Noorse Koninkrijk. We zouden moeten samenwerken, jij en ik."
"Dat klinkt goed, maar wat zit er voor mij in?"
"We delen alle buit, ik zal wat hulp bieden bij de bouw van jou schip, want ik zie dat jou scheepsbouwer er bitter weinig van bakt. Ik heb wel weining manschappen, maar als ik even terug naar mijn dorp vaar, krijg ik wel een bende bijeen." Zei Svengall.
"Ik dacht om naar de baai van Hessen te gaan. Veel handel en havendorpen. Genoeg om ons beroep uit te oefenen." Stelde Svengall voor.
"Hmm, en ook genoeg schepen om te beroven." Antwoordde Hörrar. "Was ook mijn idee."
"Ik ben geen piraat. Piraten zijn laffe wezens." Zei Svengall nors.
"Al goed, ik ben ook nooit echt dat van plan geweest hoor." Zei Hörrar snel. Eigenlijk wel, maar hij besefte dat dit de enige kans was om een bondgenootschap te sluiten, wat beter was dan een vete. Vooral omdat ze samen veel grotere buit konden strikken.

"In ieder geval, binnen een tweetal dagen vaar ik uit naar het Noorden, en dan ben ik binnen de week terug, het is niet zo ver per boot, maar een maandelange trip over het land door het gebergte." Zei Svengall.
"Tot dan."
 
'''Mooi dan hebben we een deal...'' Richard grinnikte en stak zijn hand uit en keek vriendelijk naar Aramos. Aramos twijfelde en keek aarzelend. Richard besefte dat de jongen misschien nog zo ver was en knikte.
''Denk dat het nu het beste is om even te slapen..Morgen moeten we naar Laorn en het is nog een reis hier vandaan...Misschien dat we morgen verder kunnen praten over magie?'' De ogen van Aramos begonnen weer te glinsteren van nieuwsgierigheid en Richard kon al raden wat de jongen dacht, maar het werd al laat en de hele avond over magie praten, maar hij wou zelf gaan slapen.
''Trusten knul.'' Richard ging gemakkelijk liggen en deed zijn ogen dicht.

Adele haalde die adem en vertelde haar verhaal. Ze merkte ondertussen dat ze Halt in haar verhaal niet uitschold of belachelijk maakte, hoewel ze het in echt toen wel probeerde en deed. Ze dacht bezorgd aan hem, want misschien was er iets met hem gebeurt. Misschien was hij wel gevangen genomen? En dat allemaal omdat ze hem vroeg of hij iemand wou ophalen...Ze voelde zich bleek worden en Roran keek bezorgd en vroeg of het ging. Ze glimlachte en zei dat het ging...

Cara werd lijkbleek en mompelde woorden. Ze keek bezorgd en bestuurde de amulet en tranen vloeide over haar wangen. Ze keek wanhopig naar Halt.
''Breng me naar me kindje...NU! Ik doe er alles voor om haar nu te zien, alsjeblieft!''
 
Jorne kwam net aangelopen. '' Wat kwam dat laffe wezen hier nu weer doen.. hij gelooft in de nieuwe goden niet? De lafaard. Wodan zal hem grijpen.. '' Hörrar moest hard lachen. Hij klapte in zijn handen terwijl hij de werf opliep om te kijken naar zijn schip '' De sukkel kwam vragen om een bondgenootschap. Ik weet niet wat jij er van vind, en eerlijk gezegd denk ik dat dat hetzelfde is als wat ik denk, maar ik vertrouw het niet. Hij zei dat zijn scheepsbouwer wel kwam helpen.. wat ik denk is dat hij onze plannen komt stelen. De mast word erop gezet nu we spreken, het zeil ligt klaar. Binnen het uur zeilen we weg. Ik hoef niets te weten van die wolven aanbidder. Hij is in ieder geval dom genoeg om naar het Noorden te zeilen om krijgers te halen. Alle krijgers die ik nodig heb zijn hier.. en hoe je het ook bekijkt, we gaan meer krijgers krijgen in de toekomst, of die krijgers het nu willen.. of niet, let maar op. Wanneer hij terugkomt in dit stinkhol om meer geld te verdienen in de gevechtskuilen, al moet ik eerlijk zeggen dat hij het niet slecht deed, zit ik op een troon gemaakt van de schedels van mijn tegenstanders. '' Jorne moest hard lachen omdat hij hetzelfde in gedachten had. '' Juist, op dat '' niet slecht deed '' na dan. ''

Niet veel later was de boot af. De mannen werden geroepen en aan het werk gezet om de boot te water te laten. Het was een ware belevenis want een boot is sterk, maar niet zo sterk dat het de stenen van de grond kon weerstaan wanneer hij omviel. Uiteindelijk, na hard, lang en zweterig werken van iedereen was hij in het water. Hörrar sprong aan boord en beval de mannen om de kratten met voorraden aan boord te zetten. Ze werden aan de voorkant van het schip geplaatst, met in het midden ruimte voor vier bedden. Tussen elke rij roeiers konden nog 2 bedden geplaatst worden, dus in totaal was er genoeg plaats voor 34 man om te slapen. Deze plekken werden niet allemaal benut, want er waren genoeg roeiplekken voor 60 man. In totaal had Hörrar wel 81 mannen, bewapend tot de tand. De meesten waren nieuwelingen die met veel geluk een eigen gevecht hadden gewonnen in de kuilen. Ongeveer vijf, plus Jorne en Hörrar hadden wel vaker gevochten en een van deze vijf was een ervaren schipmeester. Hij kon navigeren met het gebruik van de sterren en wist hoe hij een zeil moest bemannen. Al met al zouden deze krijgers Odins zege zonder enige twijfel hebben ontvangen.

Snel zette ze koers richting het eiland nabij Hessen, waar het gevecht aan de gang zou zijn. Hörrar hoopte op een snelle aanval en veel slaven en andere spullen, zodat ze misschien een tweede boot konden maken.
 
后退
顶部 底部