Hoe dichter Ess bij de muren kwam, hoe zachter het gevechtslawaai klonk. Hij keek om zich heen, hij zag mensen aan en af rennen, maar geen teken dat de vijand de muren was binnengedrongen. Blijkbaar waren er nog wat vijanden achter gebleven die nu ontdekt waren. De havenstad, waarin Ess zich bevond, mocht dan bevolkt worden door wat mensen zeiden, primitieve mensen, ze konden wel hun stad verdedigen. Hij zag soldaten van Rindar, maar ook genoeg zonne-eiland soldaten van verschillende stammen die een weg naar het strijdgewoel zochten. Ess was slim genoeg geweest om zich zo te kleden en zijn baard te laten groeien, dat als iemand hem zou kennen van vroeger hem nu niet meer zou herkennen.
Eenmaal bij de muren aangekomen zag hij de ravage die de dag ervoor was gedaan. Onderaan de muur lagen de overblijfselen van belegeringstorens, ladders lagen gebroken en verspreid over de muren en ervoor en overal waar je keek lagen lijken en verloren wapens. Ess liep over de kantelen richting de hoofdpoort. Alles wat hij zag was of beschadigd of compleet vernield. Ess hield zijn ogen open voor vijanden, maar dit stuk van de muren was uitgestorven op enkele wachters na.
Toen hij een wachter zag die bezig was met bergen van lichamen, vroeg hij wat er gisteren gebeurd was. Deze vertelde dat de gouverneur was gedood in het gevecht. Daardoor was het moraal zo erg gedaald dat men de slag bijna verloren had, maar door geluk hadden de verdedigers zich staande weten te houden. Hoewel de gouverneur nu dood was, dacht men dat hun laatste uurtje had geslagen, maar aan opgeven, nee daar dachten ze niet over na. Liever de dood dan zich over te geven aan dat uitschot van de Orde en Iros vertelde de Rindarse wachter. Ess besloot daarop minder vragen te stellen, mocht de wachter onverhoopt zijn licht Tralas accent ontdekken. Hij voorkwam problemen liever dan dat hij ze moest oplossen.
Hij hielp de wachter met het verplaatsen van de lichamen. De wachter praatte door over de vorige slagen die ze hadden gevoerd, hoe ze de Paladijnen van de muren hadden afgetrapt en hoe ze de soldaten van Iros hadden verslagen. Ess moest een paar slikken over hoe de man praatte over zijn landgenoten, maar kon het hem niet kwalijk nemen. Hij moest zijn huis en haard eenmaal verdedigen tegen deze invasie.
"Wie is je commandant, beste man?" vroeg Ess.
"Dat is de plaatsvervangend gouverneur, Kolonel Orun."
Ess knikte. Hij had nooit gehoord van de man. Gelukkig maar dacht hij bij zichzelf. Toen ze het merendeel van de lichamen hadden weggeruimd, strekte de wachter zijn rug en liet een harde kreun horen. Hij pakte een fles uit een hoekje en nam een slok. Hij bood de fles aan aan Ess, die dankbaar een slok nam. Hij proestte het alleen bijna uit.
"Pfft, wat is dit voor bocht man!" De wachter lachte. "Rum, mijn vriend. Rum. Na ons eigen recept. Het duurt even voordat je eraan gewend bent."
"Dat kan ik me voorstellen." zei Ess.
Wachter: "Kom, ik zal je meer laten zien."
Ze liepen verder over de kantelen richting de hoofdpoort. Hier was de schade nog erger dan anders. Kantelen waren afgebroken en de muren begonnen aan de onderkant duidelijk scheuren te vertonen. "We zijn hier het bangst voor, als de poort word doorbroken zijn we verloren." Ess knikte. Hij wist dat een veel gebruikte tactiek was van Iros, zet zoveel mogelijk op de poort. "Hebben jullie eraan gedacht om vuurpotten te maken?" De wachter haalde zijn schouders op. "We hebben bijna geen olie op dit eiland, of iets dat brandbaar is." Ess keek naar de fles rum die de wachter in zijn hand had. "Ik durf erop te wedden dat die rum goed brand." De wachter keek van Ess naar de fles. "Hah! Denk je echt? Ik betwijfel of de kolonel zoiets zou laten doen." Ess haalde zijn schouders op. "Je zal iets moeten denk ik." De wachter knikte nogmaals. "Weet je, ik denk dat ik jou maar ga voorstellen aan onze kolonel. Dat idee van jou zou best wel eens werken. Wat denk je ervan?" Ess dacht diep na bij zichzelf. Hij moest proberen op de achtergrond te blijven, maar als de stad zou worden overgenomen zou het zeer moeilijk voor hem worden om onopgemerkt te blijven als de stad onder leiderschap stond van Iros en de orde.
"Goed dan. Ik ben bereid te helpen." De wachter knikte en ging hem voor de muren af via een bouwvallige trap. Ze liepen in de richting van het stadsplein, waar een commandopost was opgezet. Ess bereidde zich mentaal voor op de ontmoeting. Hij zou zeker herkend worden op zijn accent, misschien wel om zijn uiterlijk. Het kon zelfs zijn dat men hem ging herkennen als Ess, wat niet onmogelijk was, maar waarschijnlijk niet zou kunnen. Ess had nooit missies zelf gedaan naar dit eiland, maar je wist nooit zeker. Hij bedacht snel een verhaal waar hij vandaan kwam voor zijn dekmantel.
Bij de commandopost stonden wachters in de kleuren van Rindar. De wachter, die Ruldi bleek te heten, legde uit dat de vreemdeling die hij bij zich had, Ess dus, een idee had om de verdediging te verbeteren tegen de aanvallen van hun vijanden. De wachters lieten hun binnen. De commandopost was duidelijk een omgebouwd stadshuis. Alle waardevolle spullen waren verplaatst naar de kelder. Verder zag Ess lange rijen met gewonden die in de hallen lagen. Ruldi vertelde Ess dat hij hier moest wachten, hij ging kijken of de kolonel hem kon zien. Ess knikte en zocht een bankje in de hoek.
Ess keek om zich heen. De rij met gewonden was lang, heel lang. Zeker 100 man lag in deze hal, zo niet meer. Hij twijfelde er ook niet aan dat er nog meer waren, op andere plekken in het stadshuis. De gewonden werden verzorgd door zusters, maar ook lokale vrouwen liepen ertussen. Iedereen helpt mee in zoiets dacht Ess bij zichzelf. In zijn diensttijd had hij weinig belegen meegemaakt. De weinige die hij had meegemaakt was als aanvaller en een enkeling waarin hij moest verdedigen, maar dat kon niet worden vergeleken met deze stad. De stad leek te draaien op haar laatste voorraden. Zelfs al duurde het beleg nog maar 2 weken, de stad was niet gebouwd om een dergelijk beleg te weerstaan, laat staan voor zo'n tijd. Ess voelde zich misselijk, bij de gedachte hoeveel schade en leed er wel niet veroorzaakt bij iets dergelijks. Maar, dacht hij bij zichzelf, het is oorlog en in oorlog gebeuren zulke dingen. Hij was een soldaat en daar moest hij mee leren leven.
Op dat moment kwam Ruldi terug. Hij keek redelijk bezorgd. "Je moet oppassen, hij is niet in een al te goed humeur. Hij heeft waarschijnlijk nog meer slecht nieuws gehad." Ess knikte. Hij had zijn verhaal klaar mocht het nodig zijn. Maar toch was hij licht nerveus. Hij was altijd nerveus als hij op missie achter vijandelijke linies, wat hij met nu vergeleek. Maar hij zag dat meer als een waarschuwing, om scherp te blijven en op je woorden te letten.
Ess volgde Ruldi door de gangen naar de werkkamer van de kolonel. Daar klopte Ruldi drie keer op de deur. Er een klonk een luide "Binnen!" en Ruldie opende de deur. De werkkamer zou niet groter zijn geweest dan 5 meter bij 5 meter. Er was een haard in de hoek, en in het midden was een grote tafel waaraan een aantal mannen stonden die luid aan het discussiëren waren. Toen ze binnen kwamen keek iedereen naar hun. Ruldi stapte naast de deur zodat Ess alleen in het midden van de kamer stond. Een man van middelbare leeftijd en zo groot als een huis stond langzaam op van zijn stoel aan het hoofd van de tafel.
"Zo, daar is onze redder in nood, als ik Ruldi mag geloven." De man zag er inderdaad chagrijnig uit, hij was moe wat te zien was aan de wallen onder zijn ogen. Hij nam Ess op met zijn grote bruine ogen. "Ruldi heeft mij weinig over u kunnen vertellen. Vertel mij, wie bent u, waar komt u vandaan en wat doet u hier? U ziet er niet uit als een lokale." Ess had zich al voorbereid op dit moment.
"Mijn naam is Rill, Rill Nal'ver. Ik ben geboren in de stad Tralas, mijnheer. Ik ben hier omdat ik mijn diensten verleen als huurling." De kolonel trok een wenkbrauw op. "Een Ir hè?! Hoe moet ik weten of jij geen spion bent?" Ess glimlachte een beetje. "Nou, zo'n 20 jaar geleden kreeg ik problemen met de Orde van het Licht mijnheer. Ik weigerde wat ze wilden en daardoor werd ik een crimineel, gezocht door het hele land. Toen week ik uit richting Rindar, werd een huurling en kwam hier terecht toen een kapitein mij inhuurde om zijn vracht te beschermen van piraten." Ess had dit stuk goed voorbereid. Rill Nal'ver was vroeger zelfs een bestaand persoon, ook een huurling die gevlucht was uit Iros en uit was geweken naar Rindar. Wat men niet wist, was dat hij op de tiende dag van zijn vlucht was onderschept door een agent van Ess en om het leven was gebracht.
De kolonel keek hem aan. De kolonel was duidelijk geen domme man. Zelfs als hij lang op dit eiland diende, kon Ess zien dat hij duidelijk veel ervaring had, een echte soldaat dacht hij bij zichzelf. De kolonel nam hem nogmaals op. Hij liet zijn ogen langzaam over hem glijden, elk detail in zich opnemend. Zijn ogen bleven op zijn zwaard rusten. Ess zag hem kijken en schrok. Hij kon zijn emotie nog beheersen, maar de kolonel wist dat er iets was met zijn zwaard. "Laat mij je zwaard eens zien." De kolonel stak zijn hand uit. Ess probeerde niet in zweet uit te breken. Vervloekt dacht hij bij zichzelf. Het zwaard, dat verraad mij! Door het embleem van de tweede compagnie kon bijna elke soldaat van Rindar het herkennen.
Ess trok langzaam zijn zwaard uit de schede, en gaf het handvat aan de kolonel. De kolonel hield het zwaard in het licht om het beter te bekijken. "Hm, ik ken dit zwaard. Komt dit heel toevallig van de tweede compagnie, Rill?" Ess sprak kalm: "Zou zo maar kunnen. Ik kocht het van een smokkelaar in een grensstad. Ik heb zelf nooit in het leger gezeten, dus ik zou niet weten hoe zo'n zwaard eruit zou zien. Het zwaard was toen van uitstekende kwaliteit, dus ik kocht het." De kolonel knikte en gaf het zwaard terug aan Ess. "Goed, je had mij iets te vertellen. Ga je gang." Ess probeerde niet zichtbaar te zuchten en vertelde de kolonel zijn plan met de vuurpotten.